We hebben hier op aarde allemaal een levensplan, een zielsmissie. Geef jij daar vorm aan? Of loop je nog het pad dat logisch leek toen je twintig was. De studie of de baan die je nam omdat hij voldeed aan de verwachtingen van je ouders.
Er is ook niets mis met een leven dat vanzelf loopt, tot het moment dat iets begint te knellen. Je merkt dat het te krap gaat zitten.
Meestal begint dat met een onrust die je niet kunt plaatsen, of met de vraag of dit het was. Voor sommigen valt het samen met een verlies, een verhuizing, een kind dat het huis uitgaat. Voor anderen ontstaat het zo langzaam dat er geen eerste dag aan te wijzen is.
In de Reis van de Held(in) heet dat de oproep.
En in vrijwel elk verhaal volgt daarop hetzelfde: de held stribbelt aanvankelijk tegen. Volgende week. Het is nu even niet de juiste tijd. Eerst dit nog afmaken. Allemaal smoesjes, en er zijn legio goede redenen om te blijven waar je nu bent. Ze klinken ook nog eens redelijk.
Dat is de weigering, stap drie van de Reis van de Held(in).
Dat je dit herkent is geen toeval
Joseph Campbell beschreef in The Hero's Journey dat vrijwel elk groot verhaal ter wereld dezelfde vorm heeft.1 In elke cultuur, in elke eeuw, steeds dezelfde reis: de oproep, de weigering, de mentor, de drempel, de beproeving, de terugkeer.
Sindsdien wordt die vorm in Hollywood bewust gebruikt. Scenarioschrijvers hebben er hun handboeken op gebouwd. Als een film je bij de keel grijpt, kijk je waarschijnlijk naar deze twaalf stappen.
Maar dat is niet waarom het werkt.
Het werkt omdat het geen verteltruc is. Hoewel het voor iedereen anders gaat, lijkt er in een mensenleven een bepaald patroon te zitten. Dat is wat je herkent.
Of je het ziet terwijl je erin zit, verschilt per mens. Bij mij begon het met een besluit. In het hoofdstuk waarin ik voor de keuze stond, schreef ik dit:
Ik weet nog goed dat ik voor de keuze stond: wel of niet verdergaan op dit pad? Iets in me zei dat als ik niet zou gaan, ik er eeuwig spijt van zou krijgen. Daarnaast realiseerde ik me iets belangrijks: als ik deze uitdaging niet aanging, liet ik mijn leven bepalen door wat anderen er misschien van zouden vinden. Heel bewust koos ik toen om er volledig voor te gaan.
Het heeft bloed, zweet, tranen en de nodige moed gekost. En het is precies het moment waarop je van figurant hoofdrolspeler wordt. Daar begint het vormgeven van je zielsmissie.
Waarom ik dit programma heb gemaakt
In 2020 ging ik naar Kenia met de intentie om de moeder van mijn dochter te zoeken. Het werd een reis met verschillende missies, en vele onverwachte wendingen. Dat hele verhaal kun je lezen in mijn boek, Op zoek naar de moeder van mijn dochter.
De Reis van de Held(in) wees mij de weg en hielp mij te realiseren wat ik diep vanbinnen wilde. Het mysterie van het leven ontvouwt zich door de twaalf stappen te zetten.
Wat je onderweg tegenkomt
Je begint in de gewone wereld, de wereld zoals hij nu is. Dan komt de oproep, en vlak daarachter de weerstand. Er verschijnt een mentor, of een bron van wijsheid die je aanmoedigt. Er komt een drempel waar je overheen moet, en daarna is er geen weg terug meer. Verderop wachten de tests, een omslagpunt, en een laatste beproeving waarin oude overtuigingen moeten sterven om te kunnen transformeren. Aan het eind is er de terugkeer, en de vraag wat je meebrengt.
Twaalf stappen, als een spiegel. Zodra je ze kent, weet je waar je staat.
Op het ritme van de maan
Deze twaalf stappen nemen we op het ritme van de maancyclus. Elke nieuwe maan opent een stap. Een maan is precies lang genoeg om iets te laten inzinken voordat de volgende stap zich aandient. Wie te snel gaat, mist wat er onderweg tot hem komt: de toevalligheid die geen toevalligheid blijkt, het zinnetje van iemand anders dat pas drie weken later op zijn plek valt.
Twaalf stappen op twaalf manen vullen een hele jaarcyclus. Je begint in de vroege herfst, gaat door de winter naar binnen, komt in het voorjaar in beweging en oogst in de zomer. Tel je alles bij elkaar op, dan kom je op dertien manen: twaalf om te lopen, en een dertiende om aan te komen.
De reis eindigt niet bij jou
Vroeg op een zaterdagochtend, ik was nog klein, nam mijn vader me mee naar buiten. Ik had een schepje in mijn hand en gele regenlaarsjes aan, en het had net geregend, dus er waren plassen om in te springen. Op het pleintje waar we woonden was een grote bult aarde gestort. Uit alle deuren kwamen vaders en moeders met hun kinderen naar buiten. Het was Nationale Boomplantdag in onze nieuwe woonwijk.
Met dat schepje groef ik kuiltjes in de mulle, donkere aarde, en samen met mijn vader pootte ik een paar boompjes.
Een boom plant je niet voor jezelf, maar voor een generatie die nog komen gaat. Dat leerde ik pas veel later.